Hoofdstuk 7 Plankton
7.1 Indeling soorten
De planktongegevens bestaan uit meer dan 500 verschillende soorten ééncellige organismen. Om deze toch op een compacte en zinvolle manier te kunnen presenteren en analyseren, wordt een indeling gemaakt, waarbij meerdere soorten gegroepeerd kunnen worden. In eerste instantie is een opdeling naar trofiegraad, autotroof of heterotroof, voor de hand liggend. Deze van oudsher veelgebruikt indeling blijkt echter niet volledig accuraat, omdat een groot aantal ééncelligen mixotroof zijn (d.w.z. een combinatie tussen autotroof en heterotroof). Gezien de lastige definitie van de term mixotroof, wordt in deze rapportage de (duidelijkere) definitie van ‘mixoplankton’ aangehouden. Deze groep bestaat uit soorten die aan fagocytose en fotosynthese kunnen doen (Flynn et al. (2019)). ‘Fytoplankton’ wordt dan gebruikt om soorten aan te duiden die autotroof zijn, maar niet aan fagocytose kunnen doen (maar in sommige gevallen bijvoorbeeld wel organische stoffen uit de omgeving op kunnen nemen) en ‘protozooplankton’ wordt gebruikt voor de groep soorten die niet aan fotosynthese doen. Wanneer niet duidelijk is tot welke trofische indeling een soort of soortgroep behoort, is deze niet meegenomen in de analyse.
Ook op taxonomisch niveau is een opdeling zinvol. De belangrijkste groep binnen het plankton in de Westerschelde wordt gevormd door de ‘Diatomeeën’ oftewel ‘kiezelwieren’. Omdat het overgrote deel van de diatomeeën fotoautotroof is, zijn alle diatomeeën tot het fytoplankton gerekend. Ook de superklasse Khakista is in deze rapportage opgenomen onder de Diatomeeën, hoewel deze groep in werkelijkheid boven de diatomeeën staan en naast de diatomeeën nog een relatief kleine zustergroep van de diatomeeën omvat. De ‘Dinoflagellaten’ oftewel ‘pantserwieren’ zijn wat betreft aantallen veel minder belangrijk. Een belangrijke voorjaarssoort in het mondingsgebied van de Westerschelde is Phaeocystis globosa, die als aparte groep ‘Phaeocystis’ wordt meegenomen. Alleen op de locatie Schaar van Ouden Doel vormen grote aantallen ’Blauwwieren’ en ’Groenwieren’ soms een belangrijk deel van het fytoplankton, vandaar dat deze ook onderscheiden zijn. Voor de ’Groenwieren’ is er van uitgegaan dat deze worden gevormd door de Chlorophyceaea, de Prasinophyceae* en de Euglenophyceae (Tomas (1997)), alhoewel (Hoek, Mann, and Jahns (1995)) de Euglenophycea weer buiten de groenwieren plaatsen. Soorten die buiten de hierboven genoemde groepen vallen zijn samengenomen als de groep ’Overig’. Niet alle groepen zijn van hetzelfde taxonomische niveau, maar deze indeling is in eerste instantie wel de meest pragmatische. De heterotrofe organismen bevatten wel de heterotrofe ‘Dinoflagellaten’, maar niet de ciliaten (met uitzondering van Myrionecta rubra). Myrionecta rubra is een ciliaat (een dier, dus heterotroof) die in de geannoteerde soortenlijst 1990-2008 (Koeman et al. (2009)) toch als autotroof is ingedeeld vanwege de in het dier aanwezige endosymbiontische algen. Bij de verdere indeling is in de tabel (zie Bijlage C) Myrionecta rubra geplaatst onder ‘Heterotroof - Overig’. Verder is informatie wat betreft trofiegraad overgenomen vanuit een dataset voor aquatische protisten (Schneider et al. (2020)) en dataset die bevestigde soorten mixoplankton bevat (Mitra et al. (2023)).
Bovenstaande leidt tot de volgende pragmatische indeling, gepresenteerd in Tabel 7.1. Deze indeling is opgesteld door Bert Wetsteijn (RWS-WVL) en aangepast op basis van nieuwe inzichten op het gebied van mixoplankton.
| groep | fytoplankton | mixoplankton | protozooplankton |
|---|---|---|---|
| Blauwwieren | 17 | 0 | 0 |
| Diatomeeen | 242 | 0 | 0 |
| Dinoflagellaten | 29 | 33 | 64 |
| Groenwieren | 50 | 0 | 0 |
| Overig | 35 | 11 | 11 |
| Phaeocystis | 1 | 0 | 0 |
7.2 Informatie over de metingen
7.2.1 Stations en jaren
Fytoplankton is gemeten op de stations Schaar van Ouden Doel, Hansweert geul, Vlissingen boei SSVH, Walcheren 2 km uit de kust en Walcheren 20 km uit de kust, zie Figuur 7.1. Er zijn meetgegevens van meer dan 500 soorten fytoplankton over een periode van 1998 tot en met 2023 voor alle stations.
In eerdere rapportages zijn celaantallen gerapporteerd als totalen per seizoen, of als maximum aantallen. Door de scheve verdeling van celaantallen per soort over het jaar, en over de jaren, is dit veranderd naar mediane waarden per jaar of seizoen.
Alle gegevens over celaantal zijn omgerekend naar miljoen cellen per liter (106 cellen/l).

Figuur 7.1: Ligging van de meetstations voor fytoplankton
7.2.2 Figuren
In de sectie 7.3 is de fractie per groep uitgezet tegen de tijd voor elk station en per seizoen. De winter wordt gedefinieerd als de maanden januari, februari en oktober tot en met december. De zomer loopt van maart tot en met december, dit is het groeiseizoen voor de meeste algen.
In sectie 7.5 wordt per station de mediaan van de gesommeerde hoeveelheid algen per groep per jaar gepresenteerd. Het jaartotaal is opgedeeld in de mediaan van zomer of groeiseizoen (groen)- en wintertotalen per groep (rood). Het totaal over de zomer (groeiseizoen) bevat de mediaan van de sommatie van alle algen in de groep per meetpunt in het groeiseizoen (1 maart t/m 30 september). De punten zijn gefit met een exploratieve LOESS curve om het verloop te verduidelijken. Het wintertotaal loopt van 1 januari tot en met 28 februari en van 1 oktober tot en met 31 december. Daarnaast is er een blauwe horizontale lijn toegevoegd die de mediaan waarde over de gehele periode weergeeft. Voor *Phaeocystis zijn ook de 90-percentielwaarden over het groeiseizoen toegevoegd als losse symbolen (-). Hoewel dit geen indicator meer is in de Kaderrichtlijn water, wordt deze meegenomen als maat voor eventueel schadelijke algenbloeien. Als kwantitatieve onderbouwing zijn ook tabellen met mediane waarde, 10-percentiel en 90-percentiel per jaar toegevoegd. Niet iedere groep is elk jaar beide seizoenen aangetroffen, met name (zoetwaterminnnende) blauwwieren worden niet altijd aangetroffen bij de stations aan de Noordzeekant.
In sectie 7.6 worden dezelfde waarden gesorteerd per groep voor alle stations. Hierdoor wordt inzicht verkregen in de verhouding van de absolute hoeveelheden tussen de verschillende stations.
7.2.3 Trendbreuk
Bij de interpretatie van de MWTL biomonitoringsgegevens fytoplankton zout dient rekening te worden gehouden met een trendbreuk. Deze trendbreuk wordt veroorzaakt doordat vanaf het monsterjaar 2000 de monsters door een ander bureau worden geanalyseerd en gerapporteerd dan in de periode daarvoor. Over deze trendbreuk wordt in verschillende stukken ingegaan (Peperzak (2010), Zuur et al. (2009)). Deze trendbreuk is voor sommige soortgroepen terug te zien in de figuren op de volgende pagina’s.
7.3 Aandeel van groepen per station
Sinds 2011 zijn er in de tijdsserie nauwelijks nog winterwaarnemingen gedaan. De wintergemiddelde gegevens tot en met 2010 zijn in eerdere rapportages in te zien. In deze rapportage worden ze niet meer weergegeven.
Het relatieve aandeel van de verschillende groepen laat een paar duidelijke trends zien (figuur 7.2).
Het aandeel blauwwieren is het hoogst in Schaar van Ouden Doel. Deze groep komt verder alleen nog regelmatig voor in Hansweert, maar in de afgelopen jaren ook niet in grote hoeveelheden. De piek in 2010 bij Walcheren 20 km uit de kust moet gezien worden als een uitbijter.
Het aandeel diatomeeën is overal groot. Het is het hoogste bij stations Hansweert geul, Vlissingen, en Walcheren 2 km uit de kust. Bij Schaar van Ouden Doel is er een duidelijke toename van het aandeel diatomeeën rond 2014. Dit is ten koste gegaan van het aandeel groenwieren.
Het aandeel groenwieren is alleen substantieel bij Schaar van Ouden Doel, vooral in de zomer, hoewel ze bij de andere stations soms nog goed te onderscheiden zijn. De afgelopen jaren worden slechts kleine aandelen groenwieren aangetroffen in Schaar van Ouden Doel.
Overig fytoplankton is tussen 2016 en 2020 toegenomen bij Schaar van Ouden Doel en Hansweert geul, vooral in de zomer. Inmiddels is het aandeel van deze groep weer vrij laag. Het valt op dat de mediane waarde veel varieert over de jaren bij alle stations.
Het aandeel dinoflagellaten is op deze schaal niet zichtbaar. Dit geldt voor alle drie de groepen dinoflagellaten: fytoplankton, mixoplankton en protozooplankton. Het karakter van deze figuur laat alleen een lineaire schaal toe, waardoor deze groepen geheel verdwijnen.
De groep overig mixoplankton is voor alle stations goed te onderscheiden. In de periode vanaf 2010 tot 2015 lijkt het aandeel overig mixoplankton groter te zijn dan in de periode ervoor en erna.
Overig protozooplankton is juist in minder grote aantallen aanwezig in de periode sinds 2010. Sinds een paar jaar neemt het weer iets toe. Er kan echter vanuit worden gegaan dat deze groep niet goed bemonsterd wordt met de huidige methode.
Phaeocystis tenslotte heeft het hoogste relatieve aandeel bij de Walcheren stations en Vlissingen. Dit bevestigt dat het een echt mariene soort is. Incidenteel wordt er in de zomer ook Phaeocystis aangetroffen in Hansweert. Phaeocystis wordt gezien als plaagalg door het schuim wat het produceert. De intensiteit hiervan hangt meer af van incidentele pieken, dan van een hoog aantal over het hele seizoen. Trends hiervan worden in de volgende paragrafen besproken.

Figuur 7.2: Het relatieve aandeel van alle groepen over de jaren voor alle stations, in de zomer. Waarden zijn gebaseerd op de mediaan van het totaal aantal cellen per groep.
7.4 De verdeling van groepen over het seizoen
in figuur 7.3 is de verdeling van de verschillende groepen over het seizoen te zien. Er moet bedacht worden dat er na 2011, behalve bij Schaar van Ouden Doel, geen metingen zijn verricht in de wintermaanden (oktober - februari).
De verschillende groepen plankton vertonen een verschillend gemiddeld seizoenspatroon. Diatomeeën zijn de eerste bloeiers, met een piek al in maart in de Walcheren stations. Verder in het estuarium is de diatomeeënpiek steeds iets opgeschoven in de tijd. Bij Schaar van Ouden Doel zijn de hoogste waarden te vinden in mei, juni en juli. In de Walcheren stations i ook nog een najaarspiek te zien. Deze ontbreekt in de meer estuariene stations.
Phaeocystis piekt direct na de diatomeeën, dat wil zeggen in april in het kustwater en bij Vlissingen. Er is nauwelijks een najaarspiek te zien. De hoogste pieken zijn te zien bij de Walcheren stations, gevolgd door Vlissingen. Bij Schaar van OUden Doel is Phaeocystis nagenoeg afwezig.
Blauwwieren zijn vooral aanwezig bij Schaar van Ouden Doel en vertoont een piek in april en augustus. De hoge waarde bij Wacheren 20 km uit de kust moet als uitschieter beschouwd worden.
Groenwieren volgen de trend van blauwwieren. De hoogste waarden zijn te vinden in juni bij Schaar van Ouden Doel.
Fototrofe dinoflagellaten zijn het hele jaar aanwezig, zonder sterke piek, maar minder in de winter.
Mixotroof plankton (mixoplankton) is vooral aanwezig vanaf het midden van de zomer, ongeveer van juni - september.
Voor de overige groepen is het patroon niet zo duidelijk, of het varieert te veel over de jaren.

Figuur 7.3: Maandelijkse gemiddelden voor fytoplankton (fototroof - Diatomeeën) voor alle stations.
7.5 Resultaten per station
7.5.1 Schaar van Ouden Doel
Bij Schaar van Ouden Doel zien we dat vooral de blauwwieren, groenwieren en diatomeeën in hoge aantallen worden gevonden (zie Tabel 7.2), met name de blauw- en groenwieren bevatten in de Westerschelde veel zoetwatersoorten. De groenwieren lijken af te nemen vanaf 2005. Dit valt ongeveer samen met de stijging van de saliniteit (figuur 3.2). Phaeocystis wordt incidenteel in de zomer waargenomen bij Schaar van Ouden Doel, de saliniteit is daar te laag voor deze mariene soort. De diatomeeën zijn goed vertegenwoordigd. Er waren lage aantallen in 2009 en 2010, en vanaf 2011 schommelt de concentratie diatomeeën rond het gemiddelde. De autotrofe Dinoflagelaten komen sinds 2005 ruim een factor 10 minder voor dan diatomeeën. Vóór 2005 was de aanwezigheid van deze groep veel lager. Overig fytoplankton variëert sterk per jaar. Overig protozooplankton laat vanaf circa 2012 een toename zien, na een lange periode met daling. Mixotroof plankton (mixoplankton) vertoonde relatief hoge waarden van ongeveer 2011 t/m 2014, en bleef daarna in redelijk hoge getallen aanwezig.
| groepsnaam | mediaan | 10-perc | 90-perc |
|---|---|---|---|
| fytoplankton - Blauwwieren | 0.54 | 0.03 | 7.05 |
| fytoplankton - Diatomeeen | 1.28 | 0.21 | 3.94 |
| fytoplankton - Dinoflagellaten | 0.04 | 0.00 | 0.15 |
| fytoplankton - Groenwieren | 0.63 | 0.07 | 5.64 |
| fytoplankton - Overig | 0.22 | 0.03 | 2.00 |
| fytoplankton - Phaeocystis | 0.01 | 0.00 | 0.20 |
| mixoplankton - Dinoflagellaten | 0.01 | 0.00 | 0.08 |
| mixoplankton - Overig | 0.56 | 0.07 | 6.61 |
| protozooplankton - Dinoflagellaten | 0.00 | 0.00 | 0.01 |
| protozooplankton - Overig | 0.24 | 0.00 | 1.49 |

Figuur 7.4: Jaarlijkse waardes voor fytoplankton in de zomer en jaargemiddeld (blauwe stippellijn) voor station Schaar van Ouden Doel. De y-as representeert de mediaan over de gesommeerde waarde per groep. Voor *Phaeocystis is ook de 90-percentiel waarde aangegeven (-).
7.5.2 Hansweert geul
Voor de blauwwieren bij Hansweert geul zien we ongeveer hetzelfde beeld als bij Schaar van Ouden Doel, wel zijn de aantallen lager, zie Tabel 7.3. Ook aantallen groenwieren zijn fors lager bij Hansweert geul, maar laten een vergelijkbare afname zien sinds 2010.Diatomeeën komen bij Hansweert geul juist weer meer voor dan bij Schaar van Ouden Doel. We zien over het algemeen dat de aanwezigheid van diatomeeën in de zomer vrij constant over de tijd is (net als bij Schaar van Ouden Doel), met uitschieters naar beneden (recent nog in 2009). Phaeocystis komt ook hier regelmatig en veel vaker voor dan in Schaar van Ouden Doel. De aantallen zijn hier ook hoger, wat te danken is aan de hogere saliniteit bij Hansweert. Autotrofe dinoflagellaten bij Hansweert geul zijn vrij constant aanwezig over de laatste 10 jaar. De aantallen hiervan zijn ongeveer gelijk aan die bij Schaar van Ouden Doel. Overig fytoplankton is vanaf 2011 lager dan in de periode daarvoor. Het overig mixoplankton laat een piek zien in 2013 en 2014 en is inmiddels weer op het gemiddelde niveau. Het protozooplankton laat een wisselend beeld zien: dinoflagellaten zijn its toegenomen sinds 2010, de overige groep neemt sinds 2016 weer toe.
| groepsnaam | mediaan | 10-perc | 90-perc |
|---|---|---|---|
| fytoplankton - Blauwwieren | 0.15 | 0.01 | 2.18 |
| fytoplankton - Diatomeeen | 1.63 | 0.27 | 5.00 |
| fytoplankton - Dinoflagellaten | 0.03 | 0.00 | 0.14 |
| fytoplankton - Groenwieren | 0.13 | 0.02 | 2.25 |
| fytoplankton - Overig | 0.15 | 0.01 | 1.95 |
| fytoplankton - Phaeocystis | 0.13 | 0.03 | 4.27 |
| mixoplankton - Dinoflagellaten | 0.02 | 0.00 | 0.10 |
| mixoplankton - Overig | 0.75 | 0.07 | 8.43 |
| protozooplankton - Dinoflagellaten | 0.00 | 0.00 | 0.01 |
| protozooplankton - Overig | 0.19 | 0.01 | 1.01 |

Figuur 7.5: Jaarlijkse waardes voor fytoplankton in zomer (groen), winter (rood) en gemiddeld (blauw) voor station Hansweert geul. De y-as representeert de mediaan over de gesommeerde waarde per groep. Voor *Phaeocystis is ook de 90-percentiel waarde aangegeven (-).
7.5.3 Vlissingen boei SSVH
Bij Vlissingen boei SSVH komen blauwwieren en groenwieren in veel kleinere hoeveelheden voor dan bij de stations meer stroomopwaarts, zie Tabel 7.4. Blauwwieren zijn zelfs lang niet alle jaren aanwezig, vooral in de laatste 15 jaar, zie Figuur 7.6. De diatomeeën variëren van jaar tot jaar. De laatste 12 jaar zijn de waarden stabiel. Het valt op dat het gemiddelde niveau vanaf 2011 duidelijk hoger is dan dat van vóór 2011. Dit patroon is ook te zien bij de autotrofe Dinoflagellaten en het overig mixoplankton. Het omgekeerde lijkt gebeurd te zijn met het overig fytoplankton. Phaeocystis komt hier meer voor dan bij Hansweert geul en Schaar van Ouden Doel. In 2012 werd *Phaeocystis weer waargenomen bij Vlissingen boei SSVH na enkele jaren van afwezigheid. In 2019 is weer een relatief hoog aantal vastgesteld. De heterotrofe dinoflagellaten laten een variabiliteit van jaar tot jaar zien met de laatste 8 jaar wat hogere waarden dan daarvoor. Overige mixotrofen zijn iets verhoogd in de jaren 2011-2014, maar tegenwoordig zijn de aantallen weer iets lager. Het overig protozooplankton variëert, vanaf 2016 lijkt er een toenemende trend te zijn. Heterotrofe Dinoflagellaten zijn ook variabel, en lijken de laatste jaren weer iets hoger te zijn dan daarvoor.
| groepsnaam | mediaan | 10-perc | 90-perc |
|---|---|---|---|
| fytoplankton - Blauwwieren | 0.03 | 0.00 | 0.62 |
| fytoplankton - Diatomeeen | 1.85 | 0.28 | 6.32 |
| fytoplankton - Dinoflagellaten | 0.03 | 0.00 | 0.15 |
| fytoplankton - Groenwieren | 0.12 | 0.02 | 0.89 |
| fytoplankton - Overig | 0.18 | 0.02 | 1.51 |
| fytoplankton - Phaeocystis | 0.23 | 0.03 | 10.97 |
| mixoplankton - Dinoflagellaten | 0.03 | 0.00 | 0.13 |
| mixoplankton - Overig | 0.42 | 0.08 | 3.35 |
| protozooplankton - Dinoflagellaten | 0.00 | 0.00 | 0.01 |
| protozooplankton - Overig | 0.19 | 0.03 | 0.72 |

Figuur 7.6: Jaarlijkse waardes voor fytoplankton in zomer (groen), winter (rood) en gemiddeld (blauw) voor station Vlissingen boei SSVH. De y-as representeert de mediaan over de gesommeerde waarde per groep. Voor *Phaeocystis is ook de 90-percentiel waarde aangegeven (-).
7.5.4 Walcheren 2 km uit de kust
Qua aantallen zitten er niet hele grote verschillen tussen de fytoplankton waarden bij Vlissingen boei SSVH en Walcheren 2 km uit de kust, zie Tabel 7.5. Blauwwieren komen hier niet meer voor. Groenwieren vertonen in enkele jaren een hoge waarde (tot 1 miljoen/l in 2007 en 2008) (Figuur 7.7) maar liggen de laatste jaren daar ver onder. De diatomeeën vertonen een opgaande lijn tot en met 2018 ((tot bijna 10 miljoen/l)), daarna zijn de celaantallen weer wat lager. Phaeocystis komt hier meer voor dan bij Hansweert geul en Schaar van Ouden Doel, omdat het een uitgesproken mariene soort is. Er is een periode zonder voorkomen maar de aantallen kunnen sterk variëren van jaar tot jaar zonder een aanwijsbare trend. Het 90-percentiel over het groeiseizoen ligt vaak boven de 10 miljoen/l. Heterotrofe dinoflagellaten komen redelijk constant over de tijd voor. Dit geldt ook voor dinoflagellaten waarvan de trofiegraad mixotroof is. De groep ‘overig fytoplankton’ is vanaf 2009 lager dan de periode ervoor, hoewel de variatie groot is. De groep ‘overig protozooplankton’ is afgenomen na 2008, maar inmiddels is er een toenemde trend zichtbaar. De groep ‘overig mixoplankton’ met mixotrofe trofiegraad was hoog in 2013, 2014 en 2020, maar over het algemeen vrij stabiel.
| groepsnaam | mediaan | 10-perc | 90-perc |
|---|---|---|---|
| fytoplankton - Blauwwieren | 0.10 | 0.06 | 0.15 |
| fytoplankton - Diatomeeen | 1.37 | 0.17 | 5.59 |
| fytoplankton - Dinoflagellaten | 0.02 | 0.00 | 0.08 |
| fytoplankton - Groenwieren | 0.10 | 0.02 | 0.65 |
| fytoplankton - Overig | 0.21 | 0.02 | 1.74 |
| fytoplankton - Phaeocystis | 0.28 | 0.03 | 16.71 |
| mixoplankton - Dinoflagellaten | 0.03 | 0.00 | 0.13 |
| mixoplankton - Overig | 0.46 | 0.07 | 4.73 |
| protozooplankton - Dinoflagellaten | 0.00 | 0.00 | 0.02 |
| protozooplankton - Overig | 0.17 | 0.01 | 0.98 |

Figuur 7.7: Jaarlijkse waardes voor fytoplankton in zomer (groen), winter (rood) en gemiddeld (blauw) voor station Walcheren 2km uit de kust. De y-as representeert de mediaan over de gesommeerde waarde per groep. Voor *Phaeocystis is ook de 90-percentiel waarde aangegeven (-).
7.5.5 Walcheren 20 km uit de kust
Bij Walcheren 20 km uit de kust komen minder hoge fytoplanktonaantallen voor dan bij de andere stations, zie Tabel 7.6. De blauwwieren komen hier niet meer voor. Groenwieren komen vrij constant in lage aantallen voor (Figuur 7.8). Voor de diatomeeën zien we vanaf 2012 iets verhoogde aantallen vergeleken met de periode ervoor. Phaeocystis is van 2009-2011 niet waargenomen, maar sinds 2012 wel weer. In 2018 en 2019 is een flink hoger aantal *Phaeocystis gemeten (90-percentiel) dan in de voorgaande jaren. De autotrofe dinoflagellaten zijn sinds 2013 constant, maar hoger ten opzichte van de jaren daarvoor. Het overig fytoplankton vertoont een omgekeerde trend. Deze groep komt na 2011 minder voor dan in de periode ervoor. De laatste jaren klimmen de aantallen weer naar oude niveau’s. De mixotrofe dinoflagellaten waren opvallend laag in 2009 en 2010, maar verder zijn de aantallen stabiel. Het overig mixoplankton is ook stabiel. Voor zoöplanktongroepen geldt dat er veel variatie zichtbaar is over de jaren, met af en toe uitschieters naar beneden.
| groepsnaam | mediaan | 10-perc | 90-perc |
|---|---|---|---|
| fytoplankton - Blauwwieren | 0.10 | 0.00 | 5.09 |
| fytoplankton - Diatomeeen | 0.44 | 0.05 | 1.64 |
| fytoplankton - Dinoflagellaten | 0.01 | 0.00 | 0.11 |
| fytoplankton - Groenwieren | 0.05 | 0.01 | 0.34 |
| fytoplankton - Overig | 0.20 | 0.04 | 1.38 |
| fytoplankton - Phaeocystis | 0.21 | 0.03 | 11.68 |
| mixoplankton - Dinoflagellaten | 0.03 | 0.00 | 0.15 |
| mixoplankton - Overig | 0.27 | 0.03 | 2.71 |
| protozooplankton - Dinoflagellaten | 0.00 | 0.00 | 0.01 |
| protozooplankton - Overig | 0.10 | 0.01 | 0.64 |

Figuur 7.8: Jaarlijkse waardes voor fytoplankton in zomer (groen), winter (rood) en gemiddeld (blauw) voor station Walcheren 20km uit de kust. De y-as representeert de mediaan van de som van de celaantallen per meetpunt en jaar. Voor *Phaeocystis is ook de 90-percentiel waarde aangegeven (-).
7.6 Resultaten per groep
7.6.1 Fytoplankton - Blauwwieren
In Figuur 7.9 is de ontwikkeling in de zomer van de blauwwieren (fytoplankton) over de tijd voor alle stations weergegeven. De hoeveelheid gevonden blauwwieren kent een sterke fluctuatie over de tijd. Voor 2000 werd een een stuk minder gevonden als gevolg van een andere analyse methode. Vervolgens worden er zeer hoge waardes (1- 10 miljoen/l) gevonden, vooral bij station Schaar van Ouden Doel, tussen 2000-2004. Blauwwieren, met vooral zoetwatersoorten, worden voornamelijk gevonden bij station Hansweert geul en Schaar van de Ouden Doel. De hoge waarde bij Walcheren 20 km uit de kust is vermoedelijk een uitschieter.

Figuur 7.9: Zomergemiddelde waardes voor fytoplankton (autotroof - blauwwieren) voor alle stations. Blauwe lijn geeft het gemiddelde voor deze groep voor de gehele dataset weer.
7.6.2 Fytoplankton - Diatomeeën
In Figuur 7.10 is de ontwikkeling van de diatomeeën (autotroof) over de tijd voor alle stations weergegeven. Diatomeeën komen tegenwoordig het meest voor bij Vlissingen en Hansweert geul. Vanaf 2010 is er een opgaande trend zichtbaar. De opgaande trend wordt de laatste jaren niet doorgetrokken.

Figuur 7.10: Zomergemiddelde waardes voor fytoplankton (fytoplankton - diatomeeën) voor alle stations. Blauwe lijn geeft het gemiddelde voor deze groep voor de gehele dataset weer.
7.6.3 Fytoplankton - Dinoflagellaten
In Figuur 7.11 is de ontwikkeling van de dinoflagellaten (fytoplankton) over de tijd voor alle stations weergegeven. Deze groep dinoflagellaten komt bij alle stations in vergelijkbare, lage aantallen voor. De aantallen voor 2000 zijn laag, mogelijk door de andere meetmethode.In de jaren daarna waren de aantallen een aantal jaren stabiel. Tussen 2005 en 2015 lijkt een toename te hebben plaatsgevonden in de aantallen autotrofe dinoflagellaten, hoewel deze op het station Walcheren 20 km uit de kust pas later werd ingezet. Er zijn voor de verschillende stations fluctuaties zichtbaar, waardoor het per jaar verschilt voor welk station de hoogste waarde is gemeten.

Figuur 7.11: Zomergemiddelde waardes voor fytoplankton (fytoplankton - dinoflagellaten) voor alle stations. Zwarte lijn geeft het gemiddelde voor deze groep voor de gehele dataset weer.
7.6.4 Fytoplankton - Groenwieren
In Figuur 7.12 is de ontwikkeling van de groenwieren (autotroof) over de tijd voor alle stations weergegeven. Groenwieren worden vooral aangetroffen bij de stations Schaar van Ouden Doel en ook in vrij hoge aantallen in Hansweert Geul. Op de stations uit de kust bij Walcheren worden doorgaans veel minder groenwieren aangetroffen. Dit beeld komt overeen met het beeld van de samenstelling van de groenwieren die in de Westerschelde voorkomen en voor een groot deel uit zoetwaterminnende soorten bestaan. In 2012 zijn grote hoeveelheden groenwieren aangetroffen, naast de stations Schaar van Ouden Doel en Hansweert geul toen ook bij Vlissingen boei SSVH. Daarna is het aantal groenwieren afgenomen, met name bij de stations verder stroomopwaarts. Sinds 2019 zijn de aantallen op alle stations ondergemiddeld.

Figuur 7.12: Zomergemiddelde waardes voor fytoplankton (fytoplankton - groenwieren) voor alle stations. Zwarte lijn geeft het gemiddelde voor deze groep voor de gehele dataset weer.
7.6.5 Fytoplankton - *Phaeocystis {#fyto-resultaten-auto-phaeo}
In Figuur 7.13 is de ontwikkeling van Phaeocystis (fytoplankton) over de tijd voor alle stations weergegeven. De punten en lijnen vertegenwoordigen de mediaan over het jaar, en de streepjes het 90-percentiel over het groeiseizoen. Deze laatste is een maat voor het voorkomen van incidenteel hoge pieken van deze soort, waardoor soms een lastige schuimlaag gevormd wordt.
Phaeocystis wordt voornamelijk nabij de kust gevonden (Vlissingen & Walcheren) en kende in 2013 en 2019 een grote piek bij Vlissingen. Voor het station Schaar van Ouden Doel wordt er niet tot nauwelijks Phaeocystis gevonden. Vanaf 2016 neemt het a antal in Hansweert geul weer toe, met een piek in 2021.

Figuur 7.13: Zomergemiddelde waardes voor fytoplankton (fytoplankton - Phaeocystis) voor alle stations. Zwarte lijn geeft het gemiddelde voor deze groep voor de gehele dataset weer. De 90-percentiel waarde is aangegeven (-).
7.6.6 Fytoplankton - Overig
In Figuur 7.14 is de ontwikkeling van het overige autotrofe fytoplankton over de tijd voor alle stations weergegeven. Van 2000 tot 2010 lijkt er eerst een stijgende, en daarna een dalende trend te zijn. Het is opvallend dat na 2010 de jaarlijkse variatie tussen de stations veel groter is geworden. Dit zou te maken kunnen hebben met de identificatie, naamgeving of klassificering, maar dit is nog niet uitgezocht. De verwachting is dat dit ook de hoge piek voor alle stations in 2011 kan verklaren. Sinds 2019 sijn de aantallen voor de meeste stations vrij stabiel, in Walcheren 20 km van de kust valt een stijgende lijn te ontdekken.

Figuur 7.14: Zomergemiddelde waardes voor fytoplankton (fytoplankton - overig) voor alle stations. Zwarte lijn geeft het gemiddelde voor deze groep voor de gehele dataset weer.
7.6.7 Mixoplankton - Dinoflagellaten
In Figuur 7.15 is de ontwikkeling van de dinoflagellaten (mixoplankton) over de tijd voor alle stations weergegeven. De hoeveelheid dinoflagellaten (heterotroof) zijn relatief laag ten opzichte van de andere groepen. Er is voor de meeste stations best wel wat variatie over de jaren, maar voor de meeste stations (behalve Schaar van Ouden Doel) lijken de aantallen licht te zijn toegenomen. In 2009 en 2010 werden er weinig dinoflagellaten van deze groep aangetroffen.

Figuur 7.15: Zomergemiddelde waardes voor fytoplankton (mixoplankton - dinoflagellaten) voor alle stations. Zwarte lijn geeft het gemiddelde voor deze groep voor de gehele dataset weer.
7.6.8 Mixoplankton - Overig
In Figuur 7.16 is de ontwikkeling van overige heterotroof fytoplankton over de tijd voor alle stations weergegeven. De groep overig mixoplankton komt bij alle stations in vergelijkbare aantallen voor. Net als bij de dinoflagellaten van het mixoplankton, zijn de aantallen van het overig mixoplankton opeens erg laag in de jaren 2009 en 2010. Nadien zijn de gemeten aantallen hoger dan in de jaren ervoor.

Figuur 7.16: Zomergemiddelde waardes voor fytoplankton (mixoplankton - overig) voor alle stations. Zwarte lijn geeft het gemiddelde voor deze groep voor de gehele dataset weer.
7.6.9 Protozoöplankton - Dinoflagellaten
In Figuur 7.17 is de ontwikkeling van de dinoflagellaten (protozooplankton) over de tijd voor alle stations weergegeven. Heterotrofe dinoflagellaten worden in variabele lage aantallen aangetroffen op alle stations. Er is geen duidelijk patroon tussen de verschillende stations.

Figuur 7.17: Zomergemiddelde waardes voor fytoplankton (protozooplankton - dinoflagellaten) voor alle stations. Zwarte lijn geeft het gemiddelde voor deze groep voor de gehele dataset weer.
7.6.10 Protozoöplankton - Overig
In Figuur 7.18 is de ontwikkeling van het overige protozoöplankton over de tijd voor alle stations weergegeven. De aantallen waren in de periode tussen 2000 en 2009 hoger dan in de periode na 2010, hoewel deze de laatste jaren weer aan het toenemen zijn. Het is nog de vraag in hoeverre de taxonomische naamgeving en/of de indeling in groepen een rol speelt bij de variatie in deze groep.

Figuur 7.18: Zomergemiddelde waardes voor fytoplankton (protozooplankton - overig) voor alle stations. Zwarte lijn geeft het gemiddelde voor deze groep voor de gehele dataset weer.